De Schildklier

De Schildklier
De schildklier (glandula thyreoïdea) is een klier met inwendige afscheiding, bestaande uit twee ter weerszijden van de luchtpijp gelegen, met elkaar verbonden lobben, die zijn opgebouwd uit kleine, met een taaie vloeistof gevulde blaasjes (follikels). Er worden twee hormonen afgescheiden, namelijk thyroxine (T4) en trijodothyronine (T3), die een belangrijke invloed hebben op de stofwisseling van bijna alle cellen en weefsels in het lichaam.

De schildklier weegt bij de volwassenen 15-25 gram en is een van de grootste klieren met inwendige afscheiding (endocriene klieren) in het lichaam. De twee lobben of kwabjes zijn met een bruggetje (de isthmus) van schildklierweefsel aan elkaar verbonden. Gemiddelde afmeting van één schildklierlob bij een volwassen persoon: 5 x 2 x 2 cm.

De beide schildklierhormonen (T4 en T3) bevatten jodium en voor de normale werking van de schildklier zijn ook sporen jodium in het voedsel nodig (dagelijkse behoefte 150 tot 250 µgr jodium). Deze hormonen worden aan een groot eiwit (thyroglobuline) gebonden en in de blaasjes opgeslagen in een visceuze vloeistof (colloid). De werking van de schildklier wordt geregeld door de hypofyse of het hersenaanhangsel, dat onder invloed van een bepaalde stof (TRH) uit de tussenhersenen, het thyreotrope hormoon (TSH) afgescheid. Dit TSH stimuleert de schildklierfollikelcellen tot productie van schildklierhormoon. Wanneer de hypofyse meer thyreotroop hormoon (TSH) produceert en afgeeft aan de bloedbaan, komt er meer schildkierhormoon in de bloedsomloop. Omgekeerd wordt bij een hoog gehalte aan schildklierhormoon in het bloed de afscheiding van het thyreotrope hormoon (TSH) uit de hypofyse geremd. Op deze manier wordt een evenwichtstoestand bereikt (terugkoppelingsmechanisme of feedback).

De schildklier (glandula thyreoïdea) is een klier met inwendige afscheiding, bestaande uit twee ter weerszijden van de luchtpijp gelegen, met elkaar verbonden lobben, die zijn opgebouwd uit kleine, met een taaie vloeistof gevulde blaasjes. Er worden twee hormonen afgescheiden, namelijk thyroxine en trijoodthyronine, die een belangrijke invloed hebben op de stofwisseling van bijna alle cellen en weefsels in het lichaam. De schildklier ligt aan de voorzijde van de hals en bedekt het schildkraakbeenstuk van het strottenhoofd en de bovenste ringen van de luchtpijp aan de voorzijde. Aan de achterzijde van de twee schildklierlobben bevinden zich de vier bijschildkliertjes. De schildklier weegt bij de volwassenen 15-25 gram en bij is daarmee een van de grootste klieren met inwendige afscheiding (endocriene klieren) in het lichaam. De twee lobben of kwabjes zijn met een bruggetje van schildklierweefsel aan elkaar verbonden. Elk kwabje bestaat uit een groot aantal ronde blaasjes (foll ikels) van microscopisch kleine afmeting. De wand van deze blaasjes bestaat uit eenlagig dekweefsel. De cellen van dit dekweefsel vormen een eiwitachtige stof (colloïd) waaraan de hormonen gebonden zijn. Deze stof wordt eerst in de blaasjes uitgestort en er later weer door hetzelfde dekweefsel uit teruggenomen om naar behoefte aan de bloedbaan te worden afgegeven. De hormonen zijn beide jodiumhoudende aminozuren en voor de normale ontwikkeling van de schildklier zijn ook sporen jodium in het voedsel nodig. De aminozuren worden aan een eiwit (globuline) gebonden en in de blaasjes opgeslagen. De werking van de schildklier wordt geregeld door het hersenaanhangsel. In bepaalde celgroepen van de voorkwab van het hersenaanhangsel wordt, onder invloed van een bepaalde stof (releasing factor) uit de tussenhersenen, het zogenoemde thyreotrope hormoon afgescheiden. Wanneer het hersenaanhangsel meer thyreotroop hormoon produceert en afgeeft aan de bloedbaan, komt er meer schildkierhorm oon in de bloedsomloop. Omgekeerd wordt bij een hoog gehalte aan schildklierhormoon in het bloed de afscheiding van het thyreotrope hormoon uit het hersenaanhangsel geremd. Op deze manier wordt een evenwichtstoestand bereikt (het zogenaamde terugkoppelingsmechanisme of feedback).

Schildklier en Bijschildklier
De schildklier ligt in de hals. net onder het strottehoofd. Hij bestaat uit twee kwabben die voor en opzij van het bovenste gedeelte van de luchtpijp liggen. De kwabben zijn verbonden door een brug van weefsel en er kan een kleinere middenkwab zijn, de piramidale kwab. De schildklier maakt het thyroxine. Wanneer de klier onder een microscoop Iigt zijn er veel kleine follikels te zien. Dit zijn weefseleilandjes die colloïde bevatten, een eiwit waaraan het thyroxine verbonden is en waarvan het vrij gemaakt kan worden door middel van enzymen. (klik op het plaatje voor een vergroting.)

De functie van thyroxine is niet op een bepaald gebied gericht. Het wordt door de klier afgestaan en dan waarschijnlijk door alle cellen van het bloed opgenomen. Er lijkt een receptor aan de opper vlakte van de celkern aanwezig te zijn, die op het hormoon reageert. Het belangrijkste effect van het hormoon is het verhogen van de hoeveelheid energie die de cel gebruikt, en van de hoeveelheid eiwit die de cel maakt. Hoewel de rot van het hormoon niet precies bekend is. is het essentieel voor het leven.

een tekening van de schildklier gerelateerd aan de omringende organen van de keel, waaronder de adamsappel en de luchtpijp. De inzet Iaat een deel van de schildklier zien, waarop de cellen staan die thyroxine produceren en bewaren.

De schildklier bevat jodium, dat essentieel is voor zijn functioneren. Het is het enige orgaan van het lichaam, dat jodium nodig heeft. Het wordt uit het bloed gehaald en een tekort aan jodium in het voedset geeft een slecht functionerende schildklier. Zoals vele van de endocriene klieren, staat de schildklier onder controle van de hypofyse. Wanneer de hypofyse TSH produceert, wordt de hoeveelheid thyroxine die de klier afgeeft, verhoogd. De hoeveelheid TSH van de hypofyse gaat omhoog. als het thyroxine gehalte in het bloed omlaag gaat. en andersom. Zo wordt het thyroxinegehatte in het bloed relatief constant gehouden. De hypofyse zelf staat weer onder in vloed van de hypothalamus en het TSH gehalte wordt hoger, als de hypothalamus een stof TRH afgeeft. Dit wordt nog ingewikkelder, doordat het thyreoïd hormoon in twee vormen wordt geproduceerd. Dit is afhankelijk van het aantal jodiumatomen. dat het bevat. Het grootste deel is in de vorm van tetrajoodthyronine (met vier jodiu matomen en bekend als T4). Maar het hormoon dat op celniveau actief is, is trijoodthyronine (bekend als T3). Hoewel de klier wat T3 aan het bloed af geeft, bestaat de grootste afgifte uit 14. dat in de weefsels in T3 wordt omgezet.

Een knobbel in de schildklier Door de huisarts worden regelmatig mensen gezien die zich presenteren met een zwelling van de schildklier, berustend op een enkelvoudige knobbel in de schildklier ('solitaire schildkliernodus') dan wel een onregelmatig vergrote schildklier ('multinodulair struma').

Welke klachten kunnen optreden?
Meestal meldt iemand zich met klachten van druk op de hals, een propgevoel, moeite met slikken, en soms wat toegenomen slijmvorming, waarbij in een aantal gevallen reeds een zwelling in de hals is opgemerkt. Soms zijn klachten passend bij overproductie of juist gebrek aan schildklierhormoon de aanleiding. Wanneer dan op dat moment een knobbel in de schildklier wordt gevonden, dan is het beantwoorden van de volgende 2 vragen van belang:
1. Hoe is de functie van de schildklier, d.w.z. is er een te snelle werking (hyperthyreoidie) van de schildklier, dan wel een te langzame werking (hypothyreoidie) ?
2. Is er sprake van slcehts één enkele knobbel ('solitaire nodus') in de schildklier?

Kan het kwaadaardig zijn?
Het zorgvuldig afnemen van de anamnese is een eerste vereiste, waarbij naast het bestaan van de klachten ook aandacht besteed moet worden aan de familie-geschiedenis, klachten die een over- dan wel onderproductie van schildklierhormoon kunnen suggereren, en specifieke risicofactoren die de kans op een aanwezigheid van een kwaadaardigheid in de schildklier groter maken. De belangrijkste risicofactoren, die de kans dat een enkelvoudige knobbel kwaadaardig zou kunnen zijn, betreffen:
1. groei van de zwelling in de hals
2. mannelijk geslacht
3. uitwendige bestraling van de hals in de jeugd
4. heesheid, verminderde beweeglijkheid van een stemband
5. leeftijd boven de 60 jaar
6. in de familie voorkomen van schildklierkanker
7. vaste tot zeer vaste consistentie
8. tekenen van uitzaaiingen (metastasen)

Lichamelijk onderzoek
Vervolgens is zorgvuldige palpatie van de hals geboden, waarbij niet alleen naar de schildklier gevoeld dient te worden, doch ook het onderzoek van de lymfeklieren niet mag ontbreken. Bovendien dient vanzelfsprekend te worden gelet op algehele tekenen van schildklierdysfunctie, zoals een droge, danwel vettige huid, langzame dan wel te snelle polsslag, beven, uitpuilende ogen, vertraging van de relaxatie van de achillespeesreflex. Wat betreft het voelen van de schildklier is het van belang de grootte van de schildklier te vermelden t.o.v. de normale situatie, het aantal knobbels dat wordt gevoeld, hun grootte en consistentie, en het feit of de schildklier naar onderen wel of niet afgrensbaar is.

Schildklierdysfunctie ?
Onderzoek naar aanwezigheid van een veranderde functie van de schildklier geschiedt d.m.v. een bloedafname, waarbij het TSH- gehalte van het bloed wordt gemeten. Een normaal TSH-gehalte sluit een hyperthyreo‹die of hypothyreo‹die in principe uit. Is het TSH- gehalte verlaagd dan is een bepaling van het vrije T4-gehalte noodzakelijk, teneinde het verschil te kunnen maken tussen een echte versnelde werking van de schildklier, danwel een zogenaamde 'autonome functie'. Bij dit laatste is de schildklierhormoon spiegel normaal.

Punctie van de schildklierknobbel
Wat betreft de afweging of er sprake is van een goedaardige danwel een mogelijke kwaadaardige knobbel dient te worden uitgegaan van de gegevens die verkregen zijn bij het opnemen van de klachten en ziektegeschiedenis, inventarisatie van mogelijke risicofactoren voor het optreden van schildklierkanker, en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. Let wel, van alle personen bij wie een arts de aanwezigheid van één enkele knobbel vaststelt, heefts slechts zo'n 5 % kanker. In de andere 95% is er sprake van een goedaardige aandoening, bv. een cyste (vochtholte). Zijn er echter meerdere risicofactoren op kwaadaardigheid (zie boven) aanwezig, dan verhoogt dit de kans tot groter dan 30%. Noch een scan van de schildklier met behulp van een radioactieve merkstof, noch een geluidsonderzoek van de schildklier kan een zekere uitspraak doen dat een zwelling in de schildklier goedaardig is. Alleen wanneer bij echografisch onderzoek een volkomen gladwandige cyste wordt gevonden is maligniteit onaannemelijk, doch minder dan 10% van de enkelvoudige knobbels in de schildklier wordt veroorzaakt door een volkomen gladwandige vochtholte. Het bestaan van hyperthyreo‹die sluit de aanwezigheid van een maligniteit niet volledig uit, doch maakt de kans hierop aanzienlijk kleiner. Bij een enkelvoudige knobbel van de schildklier is derhalve altijd verwijzing naar de endocrinoloog, en weefsel-onderzoek van de knobbel aangewezen. Dit weefsel wordt verkregen door met een dunne naald in de zwelling te prikken, en met een spuitje een klein beetje van het weefselmateriaal op te zuigen. Een dergelijke ingreep is nauwelijks pijnlijk, en binnen twee minuten gebeurd. Het bestaan van een multinodulair struma sluit de kans op een kwaadaardigheid niet volledig uit. Wanneer bij anamnese en lichamelijk onderzoek de verdenking op maligniteit rijst, bijvoorbeeld bij groei, aanwezigheid van een vaste tot harde nodus, of lymfkliervergroting, is ook dan een weefsel-onderzoek aangewezen. Routine-aanvraag van een geluidsonderzoek van de schildklier bij een patient met een zwelling in de hals geeft zelden een goed antwoord op de vraag, wat er precies aan de hand is.

Waarom opereren
Het kan om verschillende redenen nodig zijn dat u aan uw schildklier wordt geopereerd. Kort samengevat volgen ze hier: De schildklier werkt te hard. Als dat niet met medicijnen in de hand is te houden kan een operatie noodzakelijk zijn. Er zit een knobbel in de schildklier. Die knobbel kan de oorzaak zijn van het te hard werken, maar het kan ook een kankergezwel zijn. De schildklier kan vele knobbels bevatten en zo groot zijn geworden dat u last hebt met ademhalen en slikken. De knobbels vormen mogelijk ook een cosmetisch bezwaar. Afhankelijk van de reden waarom u geopereerd moet worden kan het nodig zijn de schildklier geheel of gedeeltelijk te verwijderen

Na de operatie
De pijn na de operatie valt over het algemeen mee en is te vergelijken met een keelontsteking. De pijn verdwijnt in een paar dagen. De wond geneest snel en meestal met een fraai litteken, dat vaak na verloop van tijd amper meer is te zien. De hechtingen worden na vier of vijf dagen verwijderd en u kunt dan ook weer naar huis. Uw werk kunt u daarna snel hervatten. Na de operatie gaat u opnieuw naar de KNO-arts om uw stembandfunctie te laten controleren.

Mogelijke complicaties
Geen enkele ingreep is vrij van de kans op complicaties. Zo zijn er ook bij deze operatie de normale risico's op complicaties van een operatie, zoals trombose, longontsteking, nabloeding, wondinfectie. De complicaties in het operatiegebied en de kans daarop, hangen samen met het soort operatie. Hoe ingewikkelder de operatie des te meer kans op beschadiging van de structuren die vlak bij de schildklier liggen.

Bijschildklieren
Aan de achterkant van de schildklier liggen de vier kleine bijschildklieren. Zij controleren het calciumgehalte van het lichaam. Calcium is een onontbeerlijk mineraal, Niet alleen omdat het het belangrijkste element is voor de aanmaak van beenderen en tanden. maar ook om dat het een centrale rol speelt in de werking van spieren en zenuwcellen. Het calciumgehalte van het lichaam moet binnen bepaalde grenzen blijven om de spieren goed te laten werken. Dit wordt gereguleerd door het parathormoon van de bijschildklieren. De opname van calcium in het bloed wordt gereguleerd door vitamine D. die we krijgen door zonlicht en voedsel, en het PTH of parathormoon. Wanneer het calciumgehalte te laag is. geven de bij schildklieren een verhoogde hoeveelheid parathormoon af. dat ervoor zorgt dat de beenderen calcium afstaan aan het bloed. Is er te veel calcium in het bloed, dan wordt er minder PTH ge maakt en vermindert de calciumspiegel. De bijschildklieren zijn zo klein dat ze bijna niet te vinden zijn. De bovenste twee liggen achter de schildklier; de onderste twee, echter. kunnen in de schildklier en soms in de keel liggen.

Terug naar boven

Copyright © RUGINFO-EN-PIJN © NIETS VAN DEZE WEBSITE MAG ZONDER TOELATING WORDEN OVERGENOMEN

web analytics